Speciale editie Eerstelijnsoverleg

25 juni 2015

Op 8 juni schoof Tweede Kamerlid en woordvoerder eerstelijnszorg Agnes Wolbert (PvdA) aan bij het Eerstelijnsoverleg (ELO).

In deze speciale editie wisselde mw. Wolbert met het ELO van gedachten over de actuele agenda. Een greep daaruit:

Mw. Wolbert sprak steun uit voor de inzet van LHV-voorzitter Ella Kalsbeek voor opheffing van het verbod uit de Mededingingswet op rechtstreeks onderhandelen met de zorgverzekeraars. Om te kunnen investeren is het nodig om meerjarige contracten te kunnen afsluiten. Drie á vier jaar als contracttermijn lijkt wenselijk, en sluit aan bij de driejarige financiering die bijvoorbeeld Menzis biedt voor innovaties.

Ter sprake kwamen als te verwachten grootste ontwikkelingen:

  • Substitutie
  • De vraag hoe de nuldelijnsopgaven weg te houden uit de eerste lijn
  • E-health
  • Het gaandeweg opgaan van de afzonderlijk georganiseerde beroepsgroepen in verdergaande samenwerking, vooral in het (dunbevolkte) noorden. Budget zal ook steeds meer naar samenwerkingsverbanden gaan en bijvoorbeeld populatiebekostiging speelt hier op in. Gezondheidsdoelen zullen meer per regio worden bepaald. Voor de Veenkoloniën is zoiets momenteel in uitwerking.

Ten aanzien van substitutie werd benadrukt dat dat alleen kans van slagen heeft als het budget mee komt met over te hevelen taken. Mw. Wolbert beaamde dat en voegde er aan toe dat naar haar mening de overheid een taak heeft in het voorkomen dat tweedelijnszorginstellingen, voor de te substitueren taken, meteen weer nieuwe taken oppakken (zoals bijvoorbeeld met allerlei gespecialiseerde poli’s).

“De trend naar buurten en wijken is niet te keren. Dat zal de komende tien jaar bepalend zijn”, aldus Agnes Wolbert. Vanuit het ELO kwam daarop als reactie dat specialisten dan wel voor eerstelijnstarief zullen moeten gaan werken! Vanuit de verloskundigen werd hierbij op een weeffout gewezen: in de opleiding van gynaecologen is niet voorzien in een stage in de eerste lijn, terwijl het omgekeerde, tweedelijnsstages voor verloskundigen, normaal is. Een centrale conclusie kan dan ook zijn dat: substitutie moet beginnen binnen de opleidingen.

Wie belangstelling heeft voor het uitgebreidere verslag kan dit opvragen bij het secretariaat van ELANN.